Verhalen

Hierbij een aantal verhalen die ik schreef. Dicht op mijn huid, maar toch ook verzinsels. Een mix van betoog, verhaal en column.

 

Ik geef je een glimp van mijn binnenwereld, mijn gedachten en de dingen die me bezig houden.  

 

 

Verhalen verzinnen.

 

Op dit moment in mijn leven lijken verhalen een grote rol te spelen.

Preciezer: het verzinnen ervan.

Ik heb ontdekt, dat ik het aan de ene kant heerlijk vind om verhalen te schrijven, maar dat ik aan de andere kant mijn innerlijke verhalenmakerij aan banden wil leggen.

Ik zal het proberen uit te leggen.

 

Ik denk dat we allemaal geneigd zijn om verhalen te maken.

Eigenlijk doen we de hele dag niets anders. Ons leven is één groot verhaal.

Zo gauw ik niet precies weet hoe iets in elkaar zit, domweg omdat ik het op dat moment niet kan ervaren of begrijpen, gaat mijn denken in actie om van de situatie een voor mij kloppend geheel te maken: een verhaal.

 

Dat doe ik niet, omdat ik zo graag sprookjes verzin, maar omdat het voor mijn mentale, denkende “ik” lastig is om dingen oningevuld of ongewis te laten. Niet weten veroorzaakt onzekerheid en verwarring en daardoor ontstaat een gevoel van onrust en onmacht. Dat gevoel vermijd ik liever door mezelf wijs te maken dat ik het wél weet.

Ik bedenk dan gewoon hoe mijn wereld is.

 

Deze verhalenmakerij gebeurt meestal onbewust. Het overkomt mij min of meer.  Eigenlijk bestaat mijn werkelijkheid voornamelijk uit verhalen. Wat ik me allemaal in m’n hoofd haal: het is onvoorstelbaar! Wanneer ik me bovendien realiseer, dat we allemaal geloven in onze eigen verhalen en op elkaar reageren vanuit die overtuiging, wordt het behoorlijk ingewikkeld.

 

Een verhaal heeft macht. Zeker een goed en geloofwaardig verhaal.

Mijn beste verhalen zaaien vaak verwarring, frustratie en verdriet. Wanneer de buitenwereld niet blijkt te “kloppen” met mijn innerlijke beleving van die werkelijkheid, ben ik uit mijn evenwicht. Mijn wereld wordt haast bedreigend wanneer de dingen telkens anders uitpakken dan ik mezelf heb wijsgemaakt.

 

Daarom heb ik me, nog maar eens, heilig voorgenomen dit subjectieve geknutsel van verhalen een halt toe te roepen. In ieder geval zoveel mogelijk.

Ik weet inmiddels ook wel, dat ik de wereld niet kan bedenken in mijn hoofd. Sterker nog, ik ben zeker dat elke poging tot het verzinnen van mijn waarheid, mij van de “echte” werkelijkheid afleidt. Ik ga met iedere veronderstelling, die ik maak over iets dat ik niet kan weten, een stukje de mist in.

 

“Je creëert je eigen wereld”, zegt men, en dat is ook zo. Met mijn denken, mijn woorden en concepten, leg ik een laag “subjectieve interpretatie” over de realiteit heen. Ik mis daardoor een heel stuk van wat er werkelijk is. Leef hoofdzakelijk in mijn eigen beeld van de wereld.

Een deel van de magie van het leven gaat aan mij voorbij. Zonde!

 

 

Niet dat ik verwacht, dat ik erin zal slagen verhaalloos in mijn wereld te staan. Een mens, dit mens, blijft denken en in die zin zal ik altijd leven in mijn eigen verbeelding.

Het is wel goed te beseffen dat mijn waarheden “slechts” verhalen zijn.

Ook dat ik kan kiezen welke van mijn verzinsels ik in mijn persoonlijke repertoire wil opnemen.

Ik ben blij, dat ik kan regisseren wat ik mezelf voorspiegel, of wat ik mezelf juist niet langer wil wijsmaken. Dat op zich maakt mij een wijzer en gelukkiger mens.

 

Juist daarom doet het me plezier om, helemaal los van mijn eigen wereld, een mooi verhaal te schrijven.

Zo kan ik, vrijblijvend van de werkelijkheid, een geheel eigen, nieuwe wereld scheppen.

 

In de veiligheid van mijn gedachten beleef ik spannende avonturen, ontplooi ik ongekende theorieën of blijf ik mysterieus zweven.

Ik kan, hier binnen, dingen creëren en van alles, zonder verdere gevolgen, ondernemen. Waar ik mijn zinnen maar op zet.

Hier kan ik zelfs proeven hoe mijn werkelijkheid zou kunnen zijn, door bewust een leven als het mijne te verwoorden.

 

Op het moment dat ik me realiseer dat ik mezelf mijn verhalen indenk, stap ik er ook weer moeiteloos uit. Zo wordt het maken van verhalen een genoegen.

Juist door mijn werkelijkheid te relativeren en er mijn fantasie op los te laten, wordt mijn wereld weer een stukje magischer. Dat is een inspirerende, directe ervaring. Een ervaring die vraagt naar meer.

Het vertellen van verhalen laat zich zo ontdekken als een ware kunst.

 

De gulden regel.

In eerste instantie valt hij me niet eens op. Nee, hij trekt mijn aandacht niet, omdat hij er anders uitziet dan de anderen. Maar toch. Nu ik hem wat beter bekijk, domweg omdat ik niets te doen heb, ik sta op m’n bus te wachten, komen er toch beelden in me op die ik normaal gesproken niet heb, bij het kijken naar vreemde mannen. Dat op zich maakt me nieuwsgierig. Sinds ik me verdiep in psychologische achtergronden, kom ik nooit meer helemaal los van gemijmer over projecties, innerlijk en uiterlijk, processen. Wat in mij opborrelt, nodigt uit tot verkenning. Soms als paadjes in het bos, soms als tijdschriften in een wachtkamer.

De man kijkt kalm voor zich uit. Hij is netjes genoeg gekleed. Toch maakt hij op mij een wat stoffige indruk. Een filosoof, een denker? Is dat, wat ik in hem herken?

En opeens besef ik dat hij, in tegenstelling tot ons, de andere wachters, volledig op zijn gemak lijkt in zijn eigen wereld. Ik weet niet of ik de enige ben, die dat soort dingen waarneemt. Het is best bijzonder als je een mens tegenkomt, die genoeg heeft aan zichzelf. De meesten van ons zijn, of we dat nu beseffen of niet, vooral bezig met de mensen om ons heen. We bekijken en beoordelen, of voelen ons bekeken en beoordeeld. Maakt het werkelijk zoveel uit, wat we van elkaar zien of vinden?

Ondertussen bekijk ik hem aandachtig. Ik ben nieuwsgierig wat mijn eigen nieuwsgierigheid me wil zeggen.

Hij doet niet veel. Staat daar min of meer gewoon zichzelf te zijn. Een vage glimlach op zijn lippen. Tevreden? Of is dat mijn invulling? De bus laat op zich wachten. Een mooi moment om te zien hoe sommigen, met armen als gespannen bogen, steeds op hun horloge kijken. En anderen liefsten, nu ze een minuutje overhebben, hun liefs sms-en.

Hij heeft alle tijd van de wereld. Ik heb bewondering voor mensen die, temidden van drukte, kalmte uitstralen. Af en toe lukt mij dat ook. Vooral nu ik wat ouder word en de dingen wat meer kan relativeren. Ik ken dat gevoel van kalmte, maar voor mij is het altijd een tijdelijk iets. Een innerlijke rust, waar ik met de minste of geringste provocatie van de buitenwereld, weer uitschiet. Deze man lijkt volkomen “vrij” van wat er om hem heen gebeurt. Deel van het geheel, maar ook weer los ervan?

Zal ik hem aanspreken? Ik voel mezelf knikken als hij opkijkt. Alsof hij mijn gedachten hoorde. De verbinding is gemaakt. Terwijl we daar zo staan, in een onwerkelijk soort time-out haast, vist hij een smal voorwerp uit zijn jas. Zonder iets te zeggen buigt hij even zijn hoofd naar voren om een koordje van zijn nek te bevrijden. Hij steekt zijn hand uit: “Hier, voor jou: de gulden regel. “

Of het de normaalste zaak van de wereld is, neem ik het ding aan. “Dank U wel.” Hij glimlacht weer. “Gebruik het wijs en geef het dan weer door”, zegt hij en ik zie dat hij nog een laatste keer naar het glimmende latje kijkt. Afscheid neemt. Ik kan alleen maar knikken. Natuurlijk!

Pas nu ik in mijn bus zit, weer in de normale wereld rondrijd, besef ik dat dit een magisch voorwerp moet zijn. Ik kijk naar het goudkleurige liniaaltje. Het lijkt op een soort waterpas. Aan een leren touwtje. Moet ik het ook om mijn hals hangen?

Het lichtje verrast me. Ik voel het ook in m’n borst. “Ja.” Dat is beslist de bedoeling. Goed dan. Het lichtje is inmiddels weer verdwenen. Heb ik het me verbeeld? Een weerspiegeling in het metaal, het goud? En opeens is het er weer, een korte flits maar, nu met een heel andere intensiteit. “Nee.” Geen weerspiegeling? Het duizelt me. Ik weet dat ik mezelf heel wat kan verbeelden, maar is het me nu werkelijk gelukt om die subtiele grens tussen normaal en gestoord te passeren? “Nee!”, roept het licht in mijn latje.

Het vermoeden daagt dat dit vreemde instrument mijn innerlijke vragen beantwoordt. De gulden regel? Is dat de functie van dit ding? Helder: “Ja!” Een soort telepathisch antwoordapparaat? Een zachter licht: “ja.” De rest van mijn busrit zit ik met het ding te spelen. Fascinerend. Wat kan ik het allemaal vragen? Alleen ja- en nee-antwoorden? ”Ja.” Het maakt me hebberig. Ik heb zoveel vragen. Heb ik nu het ultieme instrument om ze allemaal te beantwoorden? Dat zou geweldig zijn!

“Gebruik het wijs!”, hoor ik de man weer zeggen. Opeens word ik wakker uit mijn roes. Wijs? Hoe gebruik ik dit ding wijs? Hoe stel ik wijze vragen? Of wordt er maar een beperkt aantal vragen beantwoord? “Nee!“, zegt het lichtje. Ik voel de opluchting: gelukkig!

Ik verberg m’n nieuwe sieraad onder m’n trui en baan me een weg door de menigte. Een drukke praktijkdag. M’n eerste afspraak komt over een kwartiertje. Ik beweeg me op de automatische piloot: groet m’n collega’s en pak de dossiers voor vandaag bij Astrid uit de bak. Alleen op mijn kamer, betast ik nog even het latje om m’n nek. Netjes blijven zitten. Ik heb zo weer tijd voor je. Kan niet wachten… Spreek ik nu al tegen dat ding?

M’n eerste cliënte heeft het niet gemakkelijk. Veel woorden, veel verhaal. Zal ik haar maar even laten praten? “Nee.” Ik voel het latje op m’n blote huid. Ik schrik ervan, maak een onverwacht gebaar met m’n hand. Mijn cliënte kijkt op: “Ik ben weer aan het doordrammen, hè? Ik realiseer me dat ook wel. Het is maar goed, dat u me helpt daar niet in te verzanden.” We kijken elkaar aan. Een waardevol moment, dat voelen we allebei. Het wordt een mooi gesprek. Wellicht een doorbraak in een proces dat al maanden duurt?

Ook in de volgende sessies vallen puzzelstukjes op hun plaats. Nu ik leer vertrouwen op de antwoorden die de “gulden regel” me geeft, lijkt alles vanzelf te gaan. Als ik maar de goede vragen stel. Wijze vragen. Ik ben in elk geval blij met geslaagde interventies en onverwachte inzichten. Dit zijn de kleine wonderen, waar we in therapie op hopen. Het raakt me altijd nog als mensen stapjes vooruit kunnen maken.

De hele dag experimenteer ik, met mijn dagelijkse bezigheden. Zal ik dit doen? Op deze manier? Meestal vraag ik naar de bekende weg. Net of het nodig is mijn innerlijke criteria met deze externe “autoriteit” te toetsen, mijn eigen meetinstrumentarium te ijken. Het toelichtende lampje geeft me zelfvertrouwen, en meer lef. Om het leven werkelijk te proeven? “Ja!”. Ik heb er lol in, wil wel afwijken van mijn veilige routine. Ik lach om mezelf, kan lachen om mezelf: al die vragen, al die antwoorden. Het onvermoeibare lichtje antwoordt met me mee. Altijd bevestigend. Alsof het kiezen een spel is. De uitkomst is al bekend. Iedere keer weer. Als ik me realiseer welke keuze ik te maken hebt, is het ”ja” of “nee” zoveel vanzelfsprekender voor me, dan ik gedacht had.

Wanneer ik ’s avonds in mijn bed duik ben ik een tevreden mens. Ik heb een nieuw soort rust gevonden. Vanmorgen waren er nog zoveel vragen. Vanmiddag vooral antwoorden. En deze avond? Het liniaaltje ligt in mijn hand. De kalmte die ik bij die man bij de bus opmerkte, die kalmte voel ik nu ook.

Dit instrumentje is nog magischer dan ik dacht. Hoe waardevol is het niet om te beseffen, dat ik mijn eigen antwoorden heb? Het inzicht, dat als ik de juiste vragen stel, mijn innerlijke stem het “ja” of “nee” laat horen? De gulden regel. Ik glimlach ook. Het is fijn om te weten dat ik op mijn eigen antwoorden kan vertrouwen.

Morgen zal ik dit wonderlijke latje weer doorgeven. Misschien bij de bushalte.

 

Goed nieuws.

Ik bekijk de boeken op m’n keukentafel. Over Boeddha en Mohammed. Krishnamurti en Tolle. Profeten zijn in. Het intrigeert me hoe deze mannen miljoenen mensen en zelfs de wereldgeschiedenis, zo hebben kunnen beïnvloeden. Door een God, of andere dieperliggende waarheid, te bedenken. De zoektocht naar die hogere dimensie is blijkbaar iets wezenlijks, iets menselijks ook.

Laat ik vandaag eens een nieuwe God proberen te verzinnen. Een nieuwe waarheid om in te geloven. Het is een heel gewone dag. Toch heb ik het gevoel dat er best iets spannends kan gebeuren. Een prettige sensatie.

Niet dat ik ontevreden ben met mijn leventje. Helemaal niet. Ik heb een goed leven: gelukkige kinderen, een lieve man, gezellig thuis, werk, een gezond lijf... Wat kan een vrouw nog meer wensen? Maar toch is er iets dat ik, bij momenten, mis. Iets essentieels. Een ongrijpbaar verlangen knaagt aan me, als een hongerig muisje, dat telkens aan een korstje kaas blijft knabbelen. Het ondermijnt mijn veilige gevoel van tevredenheid. Denk ik. Een beetje dan toch. Moeilijk uit te leggen.

Mijn man herkent het wel, zegt hij. Het idee dat er meer zou moeten zijn. Dat je, als mens, meer zou moeten doen met je tijd, met je leven. Meer? Ik voel me machteloos. Het gaat mij niet om het creëren van meer. Nog meer?

Terwijl ik m’n planten water geef, het stof van de meubels veeg en mijn hond kam, denk ik erover na. Hoe zou mijn God er uit zien? Wil ik een vrouwelijke God? Ik lach om mezelf. Het is niet zo eenvoudig om een God te bedenken. Ik zit nu al in de knoop. Natuurlijk is God geen vrouw, ook al zou ik het wel terecht vinden. Typisch mannelijk om een mannelijke God te creëren. Een valkuil. Je ideale mensbeeld als je God. Wat beperkend! Het is nu juist de bedoeling een God te scheppen die meer is dan een mens.

Goed. Ondertussen zet ik een kopje koffie en kijk eens wat bewuster om me heen. Een God die allesomvattend is? Het hele universum: alle hemellichamen, de aarde, alle planten en dieren, de mensen. Een enkel mens, ik, dus niet meer dan een, hopeloos nietig, puzzelstukje in het grotere geheel? Dat klopt voor mij ook niet. Mijn plaatje van God is persoonlijker dan dat. Dichterbij ook. Dan heb ik er tenminste wat aan.

Als ik dan al een God verzin, terwijl ik hier m’n gewone leventje leef, moet die mijn wereld, dat alles, gelijk ook maar overstijgen. Mijn God is, in die zin, niet in het materiële te vatten. Als het zo simpel was, had iemand God waarschijnlijk allang bewezen of wetenschappelijk aangetoond. Toch?

Ik neem een grote hap uit een rode appel. Heerlijk sappig en zoet. Omschrijf zo’n ervaring maar eens! Woorden lijken ontoereikend, ook om God te omschrijven. Heerlijk vluchtige, maar evenzeer weinig concrete termen als “bewustzijn” en “liefde” doemen in de meeste theorieën op. Met een hoofdletter. Dit soort menselijke concepten roepen, bij mij, meer vragen op dan ze beantwoorden. Hoezeer ze ook lijken te kloppen. Onze woordjasjes zijn te krap voor menselijke ervaringen met die X-factor, die ik, even stiekem alvast, “God” noem.

En toch heb ik het gevoel dat, juist in het mysterie, mijn antwoord ligt. Dat het vragen zelf in de richting van mijn God wijst.

Ik hoor buiten de vogels een oorverdovend lawaai maken. Zie al het frisse, overdadige groen van het voorjaar. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend, maar als ik er even stil van word, zit, vooral in het magische van het leven, het goddelijke verborgen. Dan lijkt juist, dat het niet benoembare, het onverklaarbare, achter alles wat ik kan zien, voelen, proeven, ruiken en horen, het aspect is, dat het leven zoveel zinvoller maakt.

Het niet voor mensen bevatbare, bedenk ik, terwijl ik het avondeten op tafel zet, is een kwaliteit, die een God, een hogere dimensie, die ik wil verzinnen, in zich draagt. Een wereld, die helemaal verklaarbaar en daarmee te voorspellen en controleren wordt, lijkt me minder betoverend en een stuk minder de moeite waard. Bovendien: voor dingen, die ik wel kan begrijpen, heb ik helemaal geen God nodig. Geloven hoef je pas als je iets niet weet.

De zon schijnt nog even. Het was een mooie dag. Tijd voor de krantenkoppen op het terras! Ik zucht ervan. De buitenwereld is zo shockerend anders dan mijn binnenwereld. Wat moet ik ermee? De profeten voelden zich, letterlijk of figuurlijk, geroepen om met hun goede nieuws, anderen te overtuigen. Liefst met leefregels, desnoods wetten. Voor mij hoeft dat niet. Eigenlijk zouden, in deze tijd, menselijke waarden als respect en de wil om het samen zo goed mogelijk te doen, voldoende moeten zijn. Met een beetje compassie kunnen we onze samenleving ook wel regelen met democratie, lijkt me.

De kinderen komen me een nachtkus geven. Ze hebben hun portie voor vandaag gehad, maar kijken al uit naar morgen. Zoveel te beleven. Met of zonder God. Mij helpt het soms te geloven in een hogere dimensie. Dan kan ik de dingen, die me overkomen, gedeeltelijk althans, aan mijn God toeschrijven. Op andere momenten is het geruststellend om te vermoeden dat dingen in een groter geheel wèl zin hebben. Ik kan daar inspiratie uit putten.

Voor ik mijn bed induik, vraag ik me af, of het me nu gelukt is, een goede God te verzinnen. Eigenlijk niet. Ik vind het wel grappig, dat ik daar nu achter ben. Ik kan die God niet bedenken, in ieder geval niet met mijn geest (mind). Ik zou mezelf daarmee alleen beperken tot een concept van iets dat, wat mij betreft, mijn meest ingenieus bedachte omschrijvingen overstijgt. Misschien moet ik mijn God wel beleven, door te leven. Daar moet ik morgen maar gewoon mee doorgaan.

Mijn goede nieuws van vandaag is, dat ik mijn eigen gezoek weer helemaal prima vind. Laat mij dat verlangen naar meer maar voelen. Niks mis mee. Laat dat muisje maar knagen. Het houdt mij alert en nieuwsgierig. Betrokken ook. Ik wil wel bewuster met leven bezig zijn.

 

 

 

 

 

vanrein.be © 2007 • Privacy Policy • Terms of Use